Het 401NederlandseOperas Handboek Deel 1 is daar
Nederlandse opera’s zijn onuitroeibaar. Er komen er tegenwoordig wel 20 per jaar uit, variërend in lengte van een minuut tot 3 uur in bezettingen die soms zo minimaal zijn dat kamermuziek er volumineus bij afsteekt. Sommige van deze opera’s kunnen het zelfs af zonder zang. Ondanks deze rijkdom komt ook de hardnekkigste operaliefhebber waarschijnlijk niet verder dan een handvol titels (Reconstructie…) of een enkele naam (Andriessen…). Zelfs in de ‘bekendste’ gevallen kan niemand er ook maar één melodie uit oplepelen. Dat was vroeger wel anders zou je denken. In de gouden eeuwen van de Nederlandse opera, voor de oorlog. Vooroorlogse Nederlandse opera’s, wie kent ze niet! We tellen: 1. Van Gilse – Tijl. 2. Hacquart – De Triomfeerende Min. 3. Schenck – Cerus, Bacchus. Daar houdt het op. Dachten wij. Tot René Seghers zich als een waanzinnige op een ‘401NederlandseOperas’ project stortte. What’s in a name – meer dan 400 titels harkte hij in de loop van 15 jaar bijeen. Seghers: Vandaar de naam van het project: 401NederlandseOperas.’
In die 15 jaar gaf Seghers incidenteel een teken van leven. Een concert met muziek uit een van de vier delen van het handboek over 401NederlandseOperas hier, een concertje daar, maar ondanks 33 concerten kwam het boek er nooit. We begonnen al te denken dat die 401 Nederlandse opera’s helemaal niet bestonden toen onlangs deel 1 van het handboek zomaar op de mat plofte. Dit kloeke deel behandelt in 544 pagina’s de periode van Sweelinck (1594) tot het einde van de Franse Tijd (1814). Een terloopse blik op de inhoudsopgave levert in meerdere opzichten verbijsterende namen en titels op. Dicht bij huis zijn volgen Sweelinck onder meer Cornelis Thymanszoon Padbrué/Vondel, Bidloo/Vondel, Carolus Hacquart, Servaas De Koninck, David Petersen, Hendrik Anders, Johannes Schenck, Elias Brönnemuller, Conrad Friedrich Hurlebusch, Willem de Fesch, Giovanni Battista Zingoni, Jacob Jan van Wassenaar Obdam, Belle van Zuylen, Josina Boetzelaer, Gottfried van Swieten Bartholomeus Ruloffs, Jean-André Colizzi, Philip Meissner, Johann Just, de Haarlemse gebroeders Mulligen, de Gouds-Friese Jean des Communes en een handjevol namen uit de volledig verloren gegane Limburgse school rond ene Rouwyzer. Hell…

Al deze componisten staan met biografie en samenvattingen van hun opera’s in het boek, voor zover daar nog tenminste een aria van bewaard is gebleven. Dat is in deze periode waarin vrijwel alle manuscriptpartituren verloren gingen in schouwburgbranden het eigenlijke selectiecriterium. Het boek omvat letterlijk alles wat er nog over is, misschien 10% van wat hier indertijd is gecomponeerd. Achterin staat een klassieke tijdlijn, overdwars, met daarin alle gecomponeerde opera’s inclusief de verloren titels. In die laatste categorie vallen onder meer alle opera’s van Belle van Zuylen en Bartholomeus Ruloffs.
Niet getreurd
Hoewel 90% verloren ging is er desondanks idioot veel overgebleven. Het boek zet vanaf het enthousiaste voorwoord alle vooroordelen over de Nederlandse operacultuur op zijn kop. Nederland was ondanks het verbod op opera aan de Schouwburg een van de eerste landen waar opera werd omarmd. Het werd hier zwaar bevochten, te beginnen met De Traanen petri ende Pauli, waarin Padbrué bijna 300 jaar vóór Mussorgsky een letterlijk toneeltekst (van Vondel) op muziek zette. Niet Mussorgsky maar Padbrué verdient volgens Seghers de eer als eerste zo’n waagstuk uit te hebben gehaald. En dan nog in het geniep, want het betrof een Katholieke tekst, dat mocht allemaal niet in het Noorden – FOEI! De komische opera uitgevonden door Pergolesi? Nee hoor. Hendrik Anders produceerde in 1694, zo’n veertig jaar eerder, al de volbloed komische opera Den verliefden Ryckaart bedrogen. Seghers heeft zelfs de muziek opgenomen. Illusies daar aangaande maakt de auteur zich overigens niet: ‘De ‘muziekwetenschap’ kan overal omheen. Vooroordelen en domheid werk je met een boek en vier uur aan unieke opnames niet weg. Het is wat het is.’ Waarom dan al die moeite? Seghers: ‘Toen ik in 2009 aan dit avontuur begon was ik nieuwsgierig naar wat hier precies was gecomponeerd. Toen ik ontdekte hoeveel vergeten werken er waren ontwikkelde ik een obsessieve fixatie op die titels. Ik heb het hele concert-traject opgetuigd om die muziek van de vier delen zelf te kunnen horen. Al zou ik de enige persoon zijn die er plezier aan beleeft, zou het hoofddoel bereikt zijn.’
Waarom dan al die moeite om het uit te geven? Seghers: ‘Ik ben geen egoïst. Ik wil het best delen met ons publiek. Sommige concerten waren uitverkocht. Er is publiek voor deze Nederlandse werken, maar mensen moeten er wel van weten. Dat is eigenlijk het grootste gevecht. Daarnaast is zo’n handboek toch ook iets voor het nageslacht. De muziekvorsers van de toekomst hebben hier zeker iets aan.’

What the f…
Nu staan er in het boek ook zaken die vragen oproepen. Wat doen bijvoorbeeld Händel, Mozart, Beethoven en de beroemde oratoria van Haydn in het boek? Het voorwoord beantwoordt die vraag al direct: Seghers brengt het hele speelveld in kaart. Dat begint met het overwaaien van monodie via het madrigaal in Sweelinck, de toneelmuziekexperimenten van P.C. Hooft (Granida) en de ‘Pathodia Profana’ van Huygens. Die staan in een sectie die ‘Prelude’ heet. Seghers: ‘Dan heb je nog steeds mensen die gaan janken dat dat geen opera’s zijn he. Tsja, ik ga mijn tijd niet verdoen aan het uitleggen van het voorwoord. Als je niet kunt lezen houdt het op. Het boek behandelt de hele Nederlandse operacultuur inclusief randverschijnselen. Zo zijn hier na het uitsterven van de Amsterdamse Liedschool rond De Koninck, Petersen en Anders tot de komst van het stadhouderlijke hof naar Den Haag in 1747 geen echte opera’s gecomponeerd. Maar Brönnemuller componeerde vijf volbloed dramatische aria’s in ‘Fasciculus Musicus’, waarom zou ik die bij zo weinig bewaard gebleven muziek uit deze periode niet meenemen? Met sopraan Chloë de Waal heb ik de laatste twee van deze vijf aria’s die we nog niet hadden opgenomen bij de boeklaunch in Den Haag uitgevoerd. Hebbes!’
Wat Mozart betreft wijst het boek er voor het eerst op dat de zogenaamde ‘concertaria’s’ die Mozart in Den Haag componeerde alle drie uit Metastasio’s libretto voor Artaserse komen, een tekst waar hij nadien nog meerdere aria’s uit componeerde, die tezamen een Artaserse torso vormen. Zo begon Mozarts vroegste samenhangede opera-experiment in Den Haag. Van Beethoven wordt het verhaal rondom zijn vermeende Zutphense geboorte uit de doeken gedaan. Seghers: ‘Het boek stelt glashelder dat het op een rijtje zetten van e.e.a. het enige doel is. Desalniettemin zijn er toch betwetertjes die het niet gelezen hebben maar die wel bij voorbaat al steigeren. Dan komt het opgeheven vingertje vol in zicht, parmantig zwaaiend; het is dolkomisch. Kijk: zelfs als Beetje in Zutphen op de kermis tijdens een terloops optreden van zijn ouders zou zijn geboren wordt hij daarmee nog geen Nederlands componist. Dan zou Vondel omgekeerd een Duits auteur zijn. Dat staat zo ook in het boek. Beethovens biografie of de plot van Fidelio staan er ook niet in. Ik vond tijdens het onderzoek echter 88 volstrekt braakliggende schetsen voor Beethovens onvoltooide opera Vestas Feuer. Daar kon niemand eerder iets mee omdat het complete libretto ontbrak. Dat spoorde ik op en zo kon Cees Nieuwenhuizen twee compleet nieuwe Beethoven aria’s uit Vestas Feuer aan de canon toevoegen. In Nieuwenhuizens reconstructie is dit een half-Nederlands werk dat wij in 2022 op het Zutphense Beethoven Festival hebben uitgevoerd en opgenomen. Andermaal hebbes!’
De muziekpassie van Anna van Hannover
Händels Panasso in Festa is vervolgens gecomponeerd voor het huwelijk van Willem IV met Anna van Hannover, die haar muziekpassie mee naar Den Haag nam. Rondom haar en haar kinderen ontstond de Haagse Hofmuziekcultuur. Geen ‘Nederlandse opera’ maar een werk met een bijzondere Nederlandse connectie. De arme Haydn komt in het boek voor als tweede viool naast librettist van Die Schöpfung en Jahreszeiten, de Leidse baron Gottfried van Swieten. De Van Swieten hoofdstukken schetsen onder meer de polemiek rond Die Jahreszeiten, nadat Haydn in de gedrukte partituur dingen veranderde die hij op last en aanwijzing van opdrachtgever, librettist en producent-in-één Van Swieten had moeten componeren. Onvoorstelbaar maar toch was Van Swieten opgeklommen tot de hoogste politieke autoriteit in Oostenrijk. Als componist van zeker zes opera’s wist hij van de hoed en de rand en dan nam hij als mecenas naast Haydn ook de jonge C.P.E. Bach, Mozart en Beethoven onder zijn hoede. En passant bezorgde hij hoogstpersoonlijk de tot op heden voortdurende Händel en J.S. Bach renaissance. Een verhaal dat even wonderlijk is als dat rondom zijn eigen opera’s, waarvan Seghers de partituren van Le droit d’Ainesse en Les Dieux au Village terugvond.

Jurassic Opera Park
Gaandeweg rijst uit het boek een soort Jurassic Opera Park op, waarin Seghers claimt meester- of tenminste ‘meesterlijke’ werken en werkjes te hebben teruggevonden. Daar komen genoemde 33 concerten om de hoek. Het boek volgt in een modern jasje met veel prachtige illustraties eigenlijk het klassieke Opernführer model van Componistenbiografie + Samenvattingen van diens opera’s. In Nederland is Leo Riemens ‘Groot Operaboek’ het directe voorbeeld. Ook Seghers noemt in zijn samenvattingen van de opera’s steeds alle aria’s, duetten en ensembles bij titel. De stukken die hij in zijn 401NederlandseOperas concerten opnam en rondom het boek uitgaf in cds en downloads zijn vet in blauw aangegeven. Zo vallen deze losse aria-opnames met het boek in de hand in hun dramatische context.
Spookopera’s
Dat Seghers zelf concertopnames is gaan maken komt volgens het voorwoord doordat hij zich gaandeweg realiseerde aan een boek over spookopera’s te werken. Opera’s waar niemand ooit een noot van zou kunnen horen, op een handjevol uitzonderingen na. Zo verwijzen de discografieën waar iedere synopsis van deze of gene titel mee besluit vaak naar de 401NederlandseOperas dubbeld-cd uit Diligentia met muziek uit het Haagse Théâtre Français (met muziek uit opera’s van Colizzi, Zingoni, Just en Van Swieten). Of naar de downloads met de resterende muziek van de Amsterdamse Liedschool rond Petersen, Anders en De Koninck. Naast jong talent wist Seghers voor deze opnames zangers van naam en faam als Barbara Kozelj, Elise Caluwaerts, Marcel Reijans, Denzil Delaere, Jolien De Gendt, Mattijs van de Woerd en Hans en Nanco de Vries te strikken. Naast deze eigen opnames staan er ook tal van discografische verassingen van andere gezelschappen in. Zo blijkt Vondel/Padbrué’s De Tranen in 1987 eenmalig opgevoerd en privé opgenomen. Twee aria’s uit Hurlebusch opera’s L’innocnenza difesa en Flavio Cuniberto (1722-25) zijn in 1994 in een kerkje door sopraan Jitske Steendam opgenomen en op een privé cd verdoekt. Steendam gaf Seghers de aria’s en een foto en voilà, zie pagina 237.
Persoonlijke favorieten
We kunnen hier niet het hele boek in geuren en kleuren samenvatten. Tot besluit vraag ik de auteur of hij nog persoonlijke favorieten onder zijn vondsten heeft, laten we zeggen, een top 3? Seghers: ‘Delen van de verloren gewaande muziek uit Bidloo-Vondels operaversie van Faëton vormen wellicht de belangrijkste vondst uit het boek. Met dat werk werd het operaverbod aan de Schouwburg in 1685 omzeild en het is schitterende muziek. De aria’s van de vier ‘Getijden des Jaars’ zijn uniek in de Nederlandse muziekgeschiedenis. Tenor Denzil Delaere, sopraan Gina de Jong, mezzo Sarah Konig en bariton Mattijs van de Woerd toveren dat op magische wijze tot leven. Als tweede wellicht Mulligens Acajou uit 1773. Mulligen had groot succes in Frankrijk en Acajou draait om een waanzinnig verhaal waarin het hoofd van prinses Zirphile op de Maan wacht op redding door Prins Acajou, terwijl haar romp in Parijs door de tuin wandelt, achtervolgt door een snode geilbaard. De muziek stile galant muziek is ongelofelijk poëtisch, het libretto sprookjesliteratuur. Zie de afbeelding. Als derde, ex aequo, Colizzi’s Les dieux au Village uit 1790. We deden highlights in Diligentia met grandioze zangers, maar in aanloop daarnaar deden we een flyertour door de Haagse grachten waarin Gina de Jong en mezzo Esmée van Nieuwenhuijzen zo aanstekelijk ‘Comment! Je vous donners deux baisers’ ten gehore brachten dat het nog dagelijk door mijn oren spookt. Maar ook Philip Meissners Gluckiaanse L’Heureux Révolution liet mij verbijsterd achter. De plot stelt blijmoedig dat iedereen zich juichend voor de teruggekeerde prins van Oranje moet opofferen als dit wordt gevraagd, daarbij een vrolijk kamikaze-liedje zingend. Als Barbara Kozelj dat handen en stem geeft in ‘Chanter! Célebrer! Votre Prince!’ krijg ik kippenvel. En dan heb ik waanzinnige experimenten als Van Wassenaer Obdams vrijmetselaarsopera ‘Les Noces de Vénus uit 1751 nog niet genoemd. Daarin worden alle mannen van Nederland met klem aangespoord hun vrouwen, voor zover aantrekkelijk, in te leveren bij de officieren van Willem IV. De negen aria’s daaruit hebben we in van Wassenaars familiekasteel Twickel bij de boeklaunch compleet uitgevoerd (zie foto). Dat zijn er vijf? Ik moet nu stoppen. Ach, u is harteloos. Er is nog zoveel moois niet aan de orde geweest… Ah, precies, daarvoor is er nu het boek!’
Judith van de Berg
401nederlandseOperas Handboek Deel 1
‘Van Sweelinck tot het einde van de Franse Tijd 1594-1814’
Pagina’s: 544, rijk geïllustreerd en vormgegeven.Hardcover: Hardcover met stofomslag
Taal: Nederlands
Uitgever: Lecturis/DATO
Verkoopprijs: € 40.
•
Website: 401NederlandseOperas.nl | Lecturis.nl