Sigurd, opera van Ernest Reyer op een libretto van Camille du Locle en Alfred Blau. Gecreëerd in het Théatre Royal de la Monnaie te Brussel op 7 januari 1884. Première van deze concertante uitvoering in de Opéra national de Lorraine te Nancy op 14 oktober 2019. Bijgewoonde herneming op 17 oktober 2019.

Sigurd: Peter Wedd
Gunther: Jean-Sébastien Bou
Hagen: Jérôme Boutillier
Le Grand Prêtre d’Odin: Nicolas Cavallier
Brunehild: Catherine Hunold
Hilda: Camille Schnoor
Uta: Marie-Ange Todorovitch
Le Barde: Eric Martin-Bonnet
Rudiger: Olivier Brunel

Orchestre et Chœur de l’Opéra national de Lorraine
Direction musicale: Frédéric Chaslin

 

Deze zeldzame opera werd uitgevoerd als onderdeel van het eeuwfeest van de Opéra national de Lorraine. De keuze is niet willekeurig, aangezien het de opera is die op 14 oktober 1919 werd gespeeld voor de inhuldiging van het nieuwe theater waar de huidige uitvoering plaats vond.

Sigurd werd gecreëerd in 1884 in de Muntschouwburg te Brussel en bleef gedurende een halve eeuw een van de grootste successen van het Franse lyrische repertoire. In 1925 werd de 300ste voorstelling gevierd. De laatste opvoering in de Opéra van Parijs was in 1935 en sindsdien wordt het werk nog maar sporadisch opgevoerd.

Perer Wedd
Perer Wedd

Een kuisheidsgordel in plaats van een ring

De inhoud van de opera is ongeveer deze van Wagner’s Götterdämmerung.
Hilda (Gutrune bij Wagner), de zuster van Gunther, koning van de Bourgondiërs, is verliefd op de held Sigurd, ondanks het feit dat ze als bruid aan Attila beloofd werd. Op aandringen van haar voedster (Uta) geeft ze Sigurd een toverdrank waardoor deze plots op haar verliefd wordt. Sigurd, Gunther en Hagen zweren trouw aan elkaar en vertrekken naar IJsland, waar Brunehild op een verheven rots in slaap ligt, omringd door een cirkel van vuur en enkele bovennatuurlijke wezens. Daar moet Sigurd, om de hand van Hilda te verdienen, het vuur en de monsters trotseren en Brunehild voor Gunther winnen.

Zijn gezicht is goed verborgen door zijn vizier (de Tarnhelm bij Wagner) en Brunehild accepteert in alle onschuld Gunther als haar redder en geeft zich aan hem.
Terloops toch even een pikant detail. In Götterdämmerung trekt Siegfried de ring van Brünnhilde’s vinger als symbool van zijn overwinning. In Sigurd gaat het er niet zo preuts aan toe: Brunehild ontdoet zich van haar kuisheidsgordel en geeft die spontaan aan Sigurd (Brunehild encore vierge et pure, pour toi dénouant sa ceinture, te la donne en gage d’amour!).
Het geheim wordt achteraf onthuld door Hilda in een vlaag van jaloezie:
(Hilda: Regarde ce tissu fait de soie et d’or pur.
Brunehild: Ô trouble! Ô lumière fatale! C’est ma ceinture virginale. De mes mains mon sauveur voilé a pris ce tissu constellé…). Hieruit blijkt dat Sigurd, die blijkbaar niet van de slimste is, de kuisheidsgordel aan Hilda geschonken heeft.
Na die onthulling bevrijdt Brunehild Sigurd van de betovering van het drankje. Hierop volgt een gepassioneerd liefdesduet, maar voordat Sigurd zijn geluk kan proeven, wordt hij verraderlijk gedood door Gunther tijdens een jacht. Zijn lichaam wordt teruggebracht naar het paleis en Brunehild sterft met Sigurd op de brandstapel. Een krachtige apotheose beëindigt de opera wanneer de geesten van Sigurd en Brunehild ten hemel opstijgen. Op de achtergrond zijn soldaten van Attila te zien, die over de lijken van de uitgemoorde Bourgondiërs stappen.

Reyer vs Wagner

De rol van Hilda is bij Reyer veel belangrijker dan de Gutrune bij Wagner. Haar zangpartij is zelfs bijna zo groot als deze van Brunehild. Hagen is niet de op wraak beluste gluiperd die we van Götterdämmerung kennen en het is Gunther die Sigurd doodt.
Duidelijker dan bij Wagner is de omwisseling van Sigurd naar Gunther nadat Brunehild uit het vuur bevrijd is. Deze details zouden natuurlijk nog beter tot uiting komen bij een scenische opvoering, hoewel dat niet meteen een garantie is. Het risico bestaat dat een modieuze regisseur het werk helemaal onherkenbaar maakt.

De weinige audio opnames van Sigurd dateren uit 1960 (Gustave Botiaux, Lyne Cumia) en 1974 (Guy Chauvet, Andrea Guiot). Een degelijke video-opname bestaat niet, maar wie niet te kieskeurig is over de beeldkwaliteit kan terecht op Youtube voor een integrale opname in vier delen door de Opéra van Marseille (1995) met Alberto Cupido en Françoise Pollet. Het geluid is degelijk stereofonisch en de opname heeft het grote voordeel van in het Frans ondertiteld te zijn.

Voor wie vertrouwd is met de muziek van Wagner is de moeilijkste opgave bij het beluisteren van deze door en door Franse opera, om niet aan Wagner te denken. Reyer was tien jaar jonger dan Wagner en voltooide de partituur van zijn Sigurd rond 1867. Dat het werk pas in 1884 in Brussel gecreëerd werd, is omdat de Opéra de Paris en andere Franse operahuizen er absoluut geen belangstelling voor hadden. De  muziek van Reyer ademt Berlioz, Gounod en Bizet; de pas in 1876 te Bayreuth gecreëerde Götterdämmerung was hem dus volledig onbekend.

Camille Schnoor
Camille Schnoor (Photo: Antonio Bellissimo )

Sigurd in Nancy

De uitvoering in Nancy was zeer genietbaar. Vooral Catherine Hunold was een sterke en fraai zingende Brunehild, met een strakke, heldere stem die zij nooit moest forceren en een hoogte die straalde in de topnoten. Iets minder overtuigend was Camille Schnoor als Hilda, een rol waarvan men een voller geluid zou verwachten. Maar daar stond tegenover dat zij de partij intens beleefde en kennelijk haar hele persoonlijkheid achter het werk stelde.

Problematischer was Peter Webb. Intrinsiek is de stem iets te licht voor de rol van Sigurd. Een echte heldentenor (ja, zoals Siegfried) is de tessitura waar de rol om vraagt, maar wij moeten toegeven dat wij niet meteen een beter alternatief in het hoofd hebben. Zeker omdat hier in het Frans moet gezongen worden.

Jean-Sébastien Bou is een welluidende bariton, maar met toch iets te weinig body voor de rol van Gunther, een partij die aan de heroïsche kant is en waarvoor hij constant moest forceren.

Ook voor het koor was de opera te heroïsch en het was iets te klein in aantal om dat moeiteloos uit te drukken. Zij moesten constant forte zingen, wat tenslotte, zowel voor de koorleden als voor het publiek vermoeiend werd.

Het orkest onder leiding van Frédéric Chaslin was hartstochtelijk en toch helder. Opvallend was de voortreffelijke individuele technische beheersing van de lichte blazers die hier de typische Franse kleur aan het klankpalet geven. Daardoor bleef de structuur van de partituur steeds waarneembaar en de details getuigden van de harmonische rijkdom van deze ten onrechte verwaarloosde opera.

Waarop wacht de Muntschouwburg in Brussel om na een rust van 135 jaar de opera in een degelijke scenische productie, zonder modieuze onzin, terug naar België te brengen.

Guillaume Maijeur

(gepubliceerd op 20 oktober 2019)


1
Reageer op dit artikel

avatar
1 Comment threads
0 Thread replies
1 Followers
 
Most reacted comment
Hottest comment thread
1 Comment authors
fred Recent comment authors
  Subscribe  
nieuwste oudste meest gestemd
Abonneren op
fred
Gast
fred

tsja een sigurd zonder sigurd at moeten we daarmee…..Alagna zou de rol nog wel aankunnen nu dat Hymel zich al in de vernieling heeft gezongen en beefy Kaufmann ook wel; en de Munt zal eens hartelijk lachen om de laatste suggestie. Dat ze eens beginnen met de grote ‘Belgische’ operas terug op te voeren maar zelfs dat niet…intriest