Louis Couperus wordt wel de grootste 19e-eeuwse schrijver van Nederland genoemd. Dat is niet verwonderlijk, want hij is waarschijnlijk de grootste schrijver van Nederland aller tijden. Wat de 19e-eeuwers betreft wordt hij op enige afstand gevolgd door  Marcellus Emants, en op wat ruimere afstand door Lodewijk van Deyssel, Frederik van Eeden en Multatuli.

You can have any review automatically translated. Click the Google Translate button (“Vertalen”), which can be found at the top right of the page. In the Contact Page, the button is in the right column. Select your language at the upper left.

 

Couperus was een brood- en veelschrijver. Hij bevond zich regelmatig in een geldelijk penibele situatie, en gooide er dan maar weer een roman of feuilleton tegenaan om zijn financieel veeleisende levensstijl te bekostigen. Niet alles wat Couperus schreef was  even boeiend: de symbolische sprookjes zijn niet om door te komen, en voor de mythologische romans heeft men een aangepast denkraam nodig. Maar zijn psychologische romans zijn geniaal. Wij zelf bereiken vooral door zijn verrukkelijke taalgebruik hoge graden van genoeglijkheid: bij zijn lange, fraai geconstrueerde zinnen, bij zijn neologismen en archaïsche woorden likken wij de taalgevoelige vingers af.

Couperus was meer op reis dan “thuis” in Den Haag. Op zijn talloze reizen en langdurige verblijven, vooral in Frankrijk en Italië, betoonde hij zich een ware cultuurhapper. Vooral beeldende kunst had zijn vurige belangstelling en prikkelde zijn fantasie.

Couperus
Louis Couperus (1863–1923)

Toch kon hij zich ook vermaken met de opera. In het Münchense Residenz-Theater bezocht hij Figaro, Così fan tutte en Don Giovanni. In de eveneens in München gevestigde Tonhalle verbijsterde hij zich over het Duitse publiek dat Tristan und Isolde bijwoonde onder het genot van potten bier en broodjes ham. Een setting die, onzes inziens volkomen ten onrechte, in ongebruik is geraakt.

Ook de 4-daagse marathon van de integrale Ring werd door Couperus volledig uitgelopen. Over de muziek was Couperus zeer te spreken, maar hij tekende op dat hij het meest had genoten van de delen die hij met gesloten ogen beluisterde. Een ervaring die ook in onze tijd breed gedeeld wordt. Couperus fileert in zijn Wagner’s tekst van der Ring des Nibelungen (een hoofdstuk uit “Van en over alles en iedereen”) Wagner tot op het bot.

Hij introduceert de term “Wagnerdwepers” (de deplorabele menssoort bestaat tot op de dag van vandaag) en kwalificeert de tekstdichter Wagner als dilettant. Leest u even gezellig mee? Couperus: “De litterator, die den Nibelungenring leest, als litterair werk, zal wel niet anders dan van het begin tot het eind bedenkingen hebben en kritiek uitoefenen. Want dit gedicht, het geen de Wagnerdwepers, mèt de muziek van den Meester, vereeren, als éen wondervol meesterwerk, is den litterator povere dilettante-arbeid, waarop hij een beetje meêlijdvol glimlachende neêr ziet. Dilettante-arbeid zonder een zweem van epische compozitie, zonder een zweem van litteraire psychologie, en, om het nu maar te zeggen, zonder éenige litteraire métier-handigheid, onontbeerlijk om den argloozen lezer het geheime binnenwerk van den ‘bouw’ te verbergen en hem, door een illuzie heen, liefde, minstens sympathie te doen koesteren voor zijne personnages, over wien hij, schepper in zijn kleine wereld, zijn litterair noodlot op roept.”

De gedachte “die kan Wagner in z’n stak steken” dringt zich onweerstaanbaar op.

Couperus
Richard Wagner: "povere dilettante-arbeid"
Nicolas Mansfield

Mallewippen

Couperus: “Indien wij nu eens ons mogen overgeven aan den boozen lust onze litteraire bedenkingen te maken op dit door velen zoo hoog geschatte, dramatische epos, en wij Das Rheingold opslaan, dan treft ons het allereerste, dat het, de kracht tot Almacht bevattende, Rijngoud bestaat. Wij weten er anders niets van af. Wij weten niet van waar het kòmt. Het Rijngoud bestaat en is – door welken Uebergott; die ‘Vater’ genoemd wordt [en natuurlijk niet Wotan kan zijn, die immers eerst later zelve hoort van het Goud, door Loge] ?? – ter bewaking gegeven aan drie mallewippen. Ik kan ten minste de drie Rijndochteren, met haar heerlijk gezang op de lippen en hare stijve rozenkransjes om de blonde lokken niet anders noemen. Vreemd genoeg, dat zulk een, wereldmacht bevattend, Metaal niet door de ongenoemde oer-godheid ter bewaking gegeven werd aan èrnstiger bewakers: aan draken en titanen minstens. Neen, drie allerlieflijkst zingende maar absoluut onbenullige nixen, die dadelijk het geheim van het Goud verraden en flirten met een slimmen dwerg, bewaken den heiligen schat of liever bewaken hem niet, want de Nibelung Alberich ontsteelt hem haar dadelijk.”

Wij kunnen Couperus hier alleen maar volmondig gelijk geven: wie vertrouwt zijn kostbaarheden toe aan drie mallewippen?

De Mallewippen

Loge

Ook Loge krijgt welverdiende aandacht: “Eindelijk treedt Loge op…! Men voelt, dat Wagner hèm niet alleen muzikaal, hem ook wel woord-poëtiesch gevoeld heeft: het belang is gewekt: zal nu werkelijk deze Loge een humoristische, geestige, sluwe en vurige, weemoedige en tragische godduivel worden, niet geëerd door broeders en zusters en zwager Wotan en tòch den toeschouwer, den lezer sympathiesch, om zijn gecompliceerde natuur? Desilluzie! Hoewel Loge nog het geestigste lid blijft dezer oninteressante, liefdelooze, kinderlooze godenfamilie van louter broeders en zusters, is hij in Wagners poëem toch niet geworden wat hij had kùnnen worden. “

En in het algemeen over de Ring: “In den tekst van Der Ring des Nibelungen heerschen Toevalligheid en Onwaarschijnlijkheid met de onaanneembare domheid, naïveteit en burgerlijke kleinzieligheid dier meeste goden- of heldenkarakters. En met veel pretentie van hóoge dichtkunst en diep-duistere Duitsche filozofie wil de ‘dichter en denker’ Wagner ons gebieden het hoofd in deemoed te buigen voor de Scandinaviesch-Germaansch mythologische en heroïsche wereld, die hij schiep. Het is mogelijk, dat hij haar schiep in muziek; ik, voor mij, laat mij liever op de machtige golven van den muziek-oceaan mede sleepen, droomende mijn eigen droom, en zònder aan deze treurige schepselen te denken. Zij ergeren mijne logiek, mijn kunstgevoel, mijn bewondering voor heroën en mijne goden-eeredienst.”

Let u even op “droomende mijn eigen droom”. Een notie die in veel recente artikelen in Opera Gazet ruim aan de orde is gekomen.

Couperus besluit zijn essay met de retorische vraag:  “Zoû Wagner werkelijk zèlve gemeend hebben met den tekst van Der Ring des Nibelungen een machtig dichtwerk te hebben gedicht?? [Wij vrezen van wel. OK] Of was deze pretentie er eerder eene van zijne àl te dweepzieke bewonderaars, die, in de àlbekoring zijner muziek, vergaten of weigerden kritiek te oefenen over den tekst?” (Ook! OK]

Wij willen maar zeggen: als u zo af en toe een uiltje knapt bij de Ring des Nibelungen, en wie doet dat niet, bevindt u zich in goed gezelschap. En neemt u gerust een koeltas met bier en broodjes-ham mee. Potje augurken en potje mosterd niet vergeten!

Olivier Keegel


5 2 stemmen
Artikelbeoordeling
Olivier Keegel
Olivier Keegel

CHIEF EDITOR AND REVIEWER

Bellini, Donizetti. Tito Schipa, Fritz Wunderlich, Ileana Cotrubas. Stefano Mazzonis di Pralafera, Laurence Dale. Certified unmasker of directors’ humbug.

Abonneer
Laat het weten als er
guest
1 Reactie
Oudste
Nieuwste Meest gestemd
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
Corinne Romijn
Corinne Romijn
3 maanden geleden

Ik ben dus heel veel keren een mallewip geweest. LOL. Superfijn stuk <3