**** Luciano Pavarotti **** “THE GREAT ONE” (Nederlands)

Luciano Pavarotti, “THE GREAT ONE” – TERUGBLIK VANUIT DE USA

Men hoeft alleen maar naar Luciano Pavarotti’s “Una furtive lagrima” te luisteren om het fenomeen in volle omvang te begrijpen: Tito Schipa’s versie was weliswaar intiemer en verfijnder, maar zijn stem was klein en had zo zijn beperkingen. En Beniamino Gigli had natuurlijk een prachtig, ongeëvenaard geluid, maar hij had ook de neiging tot overdrijven. Pavarotti’s “Una furtive lagrima” was perfect. Het ingehouden, in zichzelf gekeerde aansnijden van de eerste noot is meesterlijk, en de herhaling van “Che più cercando io vo?” heeft precies de juiste treurnis; het crescendo en de overgang in “M’ama!” is vol gecontroleerde emotie, het legato is steeds puur. Het is overduidelijk: deze zanger heeft grip op de hele spanningsboog van de aria, van de eerste  tot de laatste noot. De hoge noten klinken magistraal, zonder een greintje vulgariteit – geen snikje of zuchtje te bekennen. Al deze muzikale eigenschappen –plus het fraaie, melismatische “non chiedo” aan het einde van de aria – laten ons maar één conclusie: perfect belcanto! Pavarotti is echter geen tenore leggiero of tenore di grazie: de stem heeft, net als de zanger zelf,  meer body en kan zich breed ontplooien zonder te forceren.

You can have any review automatically translated. Click the Google Translate button (“Vertalen”), which can be found at the top right of the page. In the Contact Page, the button is in the right column. Select your language at the upper left.

 

De eerste Pavarotti-opname die in de Verenigde Staten werd uitgebracht, was Bellini’s Beatrice di Tenda, waarin hij de vrij onbelangrijke rol van Orombello zong. Pavarotti zong indrukwekkend, maar er waren (nog) niet zo veel mensen geïnteresseerd in Bellini. Toen kwam de glorieuze Verdi-Donizetti CD onder leiding van Edward Downes. Zelden werden de aria’s uit Il duca d’Alba en Dom Sebastien zo gracieus en met zoveel morbidezza (elegantie) gezongen, met zulke briljante en natuurlijke hoge noten. Het was overduidelijk: de operawereld was een groot belcantozanger rijker. De Riccardo uit de derde acte van Un ballo in maschera liet ons een grootser geluid horen, met meer stuwkracht en meer kracht in de middelste regionen: dit was duidelijk een stem die uiteindelijk misschien wel elke tenorrol  zou kunnen zingen.

En dat was uiteindelijk ook bijna precies wat Pavarotti deed.

Een persoonlijke noot. In 1967 had ik op de radio een Lucia di Lammermoor vanuit Turijn gehoord, de tenor van dienst was ene Luciano Pavarotti (Renata Scotto was de Lucia). “Het echte werk,” dacht ik meteen. Ik ontdekte toen ook een “privé-opname” van Claudio Abbado’s I Capuleti e I Montecchi uit 1966 (met Margerita Rinaldi en Giacomo Aragall als geliefden) en ook nog een uitvoering uit 1967, met Renata Scotto in plaats van Rinaldi. In beide uitvoeringen werd de rol van Tebaldo door Pavarotti gezongen. De prachtige lange frases, de fraaie dictie, en de stralende, natuurlijke hoge C in de cabaletta aan het einde van de eerste acte trokken onmiddellijk mijn aandacht. Toen de Metropolitan Opera aankondigde dat Pavarotti als Rodolfo zijn MET-debuut zou maken  in La bohème, was ik er natuurlijk als de kippen bij.

Luciano Pavarotti. “Una furtiva lacrima”.

Helaas moet Pavarotti wegens laryngitis afzeggen. Ik verkocht mijn kaartje aan de deur en schafte meteen een nieuwe aan voor de week daarop, voor zijn optreden tijdens de MET-zaterdagmatinee van 23 november 1968. Mirella Freni was een glorieuze Mimi, Francesco Molinari-Pradelli dirigeerde. Tegen het einde van de voorstelling (eigenlijk, tegen het einde van “Che gelida manina”) was het geheim ontdekt: Pavarotti was van New York – en vice versa. Zowel de pers als het publiek zorgde voor een stortvloed aan loftuitingen.

Tito Schipa. “Una furtiva lagrima”. (1929)

Maar het duurde nog tot 1972 dat Amerika volledig Pavarotti-gek werd. Toen presenteerde de Met, voor het eerst sinds de jaren veertig van de vorige eeuw, Donizetti’s geestige, operette-achtige La fille du régiment, met Joan Sutherland als Marie en Regina Resnik als Markiezin van Berkenfield. De verwachtingen waren hoog gespannen (de spectaculaire Decca-opname was in 1968 uitgebracht), ook al omdat Ljuba Welitsch de rol van de Hertogin van Krakentorp zou vertolken. Sutherland (Marie) had niet alleen een briljante stem,  maar bewees ook nog eens een prima comédienne te zijn. Maar de echte opwinding gold de tenor, een opwinding die Amerika niet meer in die mate had meegemaakt  sinds de premières waarin Franco Corelli de rollen van Calaf en Cavaradossi vertolkte. Pavarotti’s versie van “Ah, mes amis”, de beroemde/beruchte aria met de negen hoge C’s, deed de Met exploderen:  zeventien curtain calls. In het volgende seizoen werd deze productie in het hele land op de radio uitgezonden. De “Koning van de Hoge C’s” was gekroond en de liefdesrelatie tussen Amerika en Pavarotti was bezegeld en duurde 25 jaar voort.

In de jaren ’70 en ’80 veroverde Pavarotti alle grote concertzalen en operagebouwen ter wereld. Hij verscheen frequent op TV, samen met Joan Sutherland of Marilyn Horne, of alleen, tijdens late-night talkshows. Zijn stem was natuurlijk direct herkenbaar en bovendien innemend, zijn charisma was onmiskenbaar. Het leek erop dat Pavarotti zich  bij alle Amerikaanse mannen, vrouwen en kinderen geliefd wilde maken. Zijn fysieke  omvang groeide gestaag en zijn onafscheidelijke zakdoek werd een handelsmerk. Amerika is niet vies van extravaganza en daarin voorzag de gezette zanger in ruime mate. (Tijdens zijn Met-optredens in L’elisir d’amore keerde hij het publiek zo af en toe de rug toe om snel een verborgen snack te verorberen.)

Pavarotti werd de populairste operazanger sinds Enrico Caruso. Zijn catastrofale optreden in de speelfilm “Yes, Giorgo” werd hem vergeven. En toen hij “Koning van de Hoge B’s ” werd (tijdens een Ballo in Maschera verstopte hij zich achter Katia Ricciarelli toen zijn hoge C  de mist in ging) werd hem ook dat vergeven: hoge C’s hebben een beperkte houdbaarheid en zijn toon bleef glanzend. Maar op een gegeven moment stonden zijn fysieke beperkingen en frequente afzeggingen meer in het nieuws dan zijn artistieke prestaties, die in toenemende mate leken te steunen op het zingen met “vrienden” uit de immer boeiende wereld der popmuziek, zoals Bono, Elton John en Sting. Hij verwierf wereldroem tijdens de WK van 1990 en de daaropvolgende exploitatie van de schabouwelijke “Three Tenors”; Amerikanen die nog nooit van opera hadden gehoord, kochten de cd’s en video’s en stonden in de rij voor de uitverkochte concerten. Pavarotti was een “evenement” geworden, zijn artistieke normen werden naar beneden bijgesteld. Het “nieuwe publiek” (ook in Nederland een heilige koe met de winderigheid van gebakken lucht)  was helemaal geen operaliefhebber, maar kwam voor het spektakel. Men had geen flauw benul of Pavarotti’s artistieke prestaties groots of middelmatig waren. Ze kwamen om een commercieel kassucces in actie te zien. Pavarotti was beroemd om zijn beroemdheid.

 L. Pavarotti. “Ah mes amis.” (La fille du régiment, MET 1972)

In 1989 maakte de Chicago Lyric Opera de balans op: van de 41 voorstellingen had Pavarotti er in de afgelopen acht jaar 26 afgezegd. Ontslag volgde. Ook zijn tekstvastheid leek vrijwillig ontslag te willen nemen. In 1992 nam hij onvoorbereid de rol van Don Carlo op zich in La Scala, waar hij door het Italiaanse publiek, minder vergevingsgezind dan het Amerikaanse, werd uitgejouwd.  In Modena presteerde hij het om een aria te playbacken. Tijdens La Fille, in 1992, miste hij diverse hoge noten, ondanks het feit dat de rol een volle toon omlaag was getransponeerd. Hij annuleerde uiteindelijk de voorstellingen. In 1997 kondigde hij onverwacht aan dat hij de rol van Don Alvaro in La forza del destino, ondanks het met de Met getekende contract, niet op zich zou nemen. La forza del destino werd vervangen door Un ballo in maschera. Tijdens een Met-gala in januari 1998 raakte hij in een trio van Luisa Miller volledig de weg kwijt, hoewel de muziek op een muziekstandaard voor zijn neus stond. Tijdens een concertante uitvoering van Otello onder Sir Georg Solti zat hij te midden van zijn collega’s op het podium met een warme, natte handdoek over zijn hoofd gedrapeerd: onprofessioneel, egoïstisch en bizar. Het publiek lachte. Komt nog bij dat hij totaal ongeschikt was voor de rol.  Als hij Calaf of Cavaradossi was, raakte hij regelmatig ernstig buiten adem en kon hij geen stap meer verzetten; figuranten moesten hem het podium op helpen. Maar het publiek werd nooit boos, de gezellige dikkerd kon zich wat veroorloven. De echte operaliefhebbers en operacritici kregen echter danig genoeg van zijn missers op het gebied van smaak, voorbereiding en concentratie.

 Pavarotti, Ricciarelli. “Ma dall’arido stelo divulsa”.  (Un ballo in maschera)

En toch was elke voorstelling uitverkocht, inclusief zijn laatste serie optredens in de Met (Tosca, 2004). Hoewel hij een paar Tosca’s op het laatste moment afzegde, kwam het er wel degelijk van: zingen. De oude glans was nog ongeveer gedurende de helft van de opera te horen, maar hij bleef een fenomeen: bij zijn laatste optreden waren er 10 curtain calls en een staande ovatie van 15 minuten. Amerika heeft haar innige verhouding met Pavarotti nooit beëindigd, ook niet toen zijn bewonderaars van het eerste uur – en er was genoeg te bewonderen – meer en meer ontgoocheld en teleurgesteld raakten.

Maar het stof der onvolkomenheden verwaait, want Pavarotti’s digitaal bewaarde erfenis getuigt alleen van zijn stimmliche grandeur. Het direct herkenbare timbre, de prachtige dictie, de klassieke italianità van zijn stem, het rijke kleurpalet, de feilloze pitch, zijn vermogen om zwaardere rollen (Chenier, Radames, Calaf) te dragen dan  je op grond van zijn fysiek zou verwachten…. Al deze eigenschappen zullen een plaats in de operageschiedenis verwerven en dan zullen zijn liefdes- en playbackschandalen, zijn moeizame verhouding met het lezen van bladmuziek, zijn gigantische ego en zijn geverfde wenkbrauwen zijn vergeten. Niemand zal zich hem herinneren voor de talenten die hij heeft verspild, alleen voor de talenten die hij heeft gedeeld.

Robert Levine

 

We like to get in touch with our readers. Please add a comment under this article and/or rate the article with 1 to 5 stars. Scroll down.
5 2 votes
Article Rating
Robert Levine

REVIEWER

Robert Levine is music writer and editor. He initiated Amazon.com's classical CD store. Author of "Weep, Shudder, Die - A Guide to Loving Opera," "Maria Callas - A Musical Biography," and "A Child's Guide to the Orchestra".

Subscribe
Notify of
guest
4 Comments
Oldest
Newest Most Voted
Inline Feedbacks
View all comments
A. Minis
A. Minis
6 months ago

Een mooi portret van Pavarotti. Robeert Levin is zo verstandig geweest om ook de missers allemaal te vermelden; op die manier slaat hij zure criricasters (en die zijn er) de wapens uit handen. De kwaliteiten van Pavarotti zijn zo ontzettend groot dat ze de herinnering aan zijn missers zullen doen vergeten. Een geniale zanger en vertolker.

Olivier Keegel
Admin
6 months ago
Reply to  A. Minis

Ik zou de criticasters niet per se “zuur” willen noemen, maar verder ben ik het volkomen met u eens.

Guillaume Maijeur
6 months ago

De “privé-opname” van Claudio Abbado’s I Capuleti e I Montecchi uit 1966 (met Margerita Rinaldi en Giacomo Aragall als geliefden) is in feite een opname van het Holland Festival 1966. Het festival verdiende toen nog zijn naam en deze voorstelling was een waar belcantofeest.
Claudio Abbado dirigeerde het Residentie Orkest, maar het koor was dat van het Teatro Comunale di Bologna.
Ik woonde de voorstelling van 26 juni 1966 bij in Amsterdam, toen nog inde Stadsschouwburg aan het Leidseplein. Vooraf een “Broodje van kootje”, een boogscheutje van de schouwburg, maakte deel uit van het feest.

Ad Middendorp
Ad Middendorp
6 months ago

Bijna ieder uitzonderlijk talent komt met uitzonderlijke bijverschijnselen. Diego Maradonna kon dan wel niet zingen, maar had ook z’n eigenaardigheden.