Foto’s: Marc Borggreve

Tosca, opera geschreven door Giacomo Puccini op een libretto van Luigi Illica en Giuseppe Giacosa naar La Tosca van Victorien Sardou uit 1887. Het verhaal speelt zich af in 1800 in Rome, te weten in de kerk Sant’Andrea della Valle (1e akte), het Palazzo Farnese (2e akte) en het Castel Sant’Angelo (3e akte).  De opera werd daar op 14 januari 1900 voor de eerste keer opgevoerd in het Teatro Costanzi in Rome. Bijgewoonde voorstelling door de Reisopera op 16 oktober 2018.

Floria Tosca: Kari Postma
Mario Cavaradossi: Noah Stewart
Scarpia: Phillip Rhodes
Cesare Angelotti: Roman Ialcic
Sacristarius: Oleksandr Pushniak
Spoletta: Michael J. Scott

Muzikale leiding: David Parry
Orkest: Orkest van het Oosten
Koor: Consensus Vocalis
Regie: Harry Fehr

In zijn alleraardigste boek De overblijfvader maakt auteur Henk Rijks melding van een bushalte bij een verzorgingstehuis die geheel fake is. Er stopt nooit een bus, de halte is bedoeld om oudjes die hun vertrouwde buurtje weer eens willen bezoeken, blij te maken met een dode mus. Het personeel verwijst hen naar de loze bushalte, want daar kan ieder moment “de bus naar uw fijne oude buurtje langskomen”. De oudjes staan een halve dag op de nooit arriverende bus te wachten. Op soortgelijke wijze wordt de operaliefhebber niet zelden met een kluitje het riet in gestuurd. Hij koopt een kaartje voor zijn favoriete opera, maar hoopvol gestemd in het theater plaatsgenomen blijkt hij te wachten op Godot: zijn opera komt niet. Hij mag naar de muziek luisteren, maar wat hij te zien krijgt is een klonterige berg concepten en technologische fratsen.

De Reisopera is niet van de straat. De website staat vol ronkende kreten, die waarschijnlijk voortspruiten uit de illusoire noodzaak tot het hebben van een “missie”. “De kracht van de stem centraal!”, “Opera met de o van openheid!” en “Onze opera’s verbinden en raken mensen !” Met andere woorden, “Wij van WC Eend adviseren WC Eend” ….

De Reisopera afficheert Tosca in een pijnlijke opwelling van popi-jopi marketing als een “thriller van Puccini”. Ook regisseur Harry Fehr vindt: “Dit is een thriller van de beste soort.” Maar het is geen thriller. Het libretto van Illica en Giacosa is gebaseerd op een historisch toneelstuk van Victorien Sardou, die samen met Émile Augier en Alexandre Dumas fils tot de grootste Franse toneelschrijvers van zijn tijd wordt gerekend. Ook een van de meest vernieuwende (jazeker!) omdat hij historische elementen in zijn toneelstukken verwerkte. Zo stelt Sardou in zijn toneelstuk Tosca de Franse keizerlijke tijd, politieke intrige en, zeker, ook de romantiek centraal. Geen Baantjer dus, geen whodunit.


Rome

Plaats van handeling in zowel het toneelstuk als het libretto is het Rome van rond 1800. Is dat nu belangrijk, dat je zo’n aspect van het libretto, de plaats van handeling, respecteert? Puccini is het toch vooral om de vrouwtjes te doen? Het libretto respecteren en er geen zelf verzonnen, met technologische foefjes opgeleukte draai aan geven zijn een wezenlijk onderdeel van het respect voor de componist.  Een voorbeeld. Puccini wilde Tosca per se in Rome, op heel specifieke locaties, en nergens anders, in weerwil van uit het toenmalige politieke klimaat voortkomende bedreigingen – er werd indertijd zelfs met een bomaanslag gedreigd. Voor het “Te Deum” in de eerste akte raadpleegde hij een Romeinse priester om de juiste, specifiek Romeinse Gregoriaanse melodie te pakken te krijgen; deze verschilde namelijk van streek tot streek. Ook ging hij te rade bij een specialist in kerkklokken, om precies te weten welke kerkklokken er werden gebruikt, en met welke toonhoogte. En ook voor de Herder uit de derde akte werd een folkloristisch verantwoord volkslied gekozen.

De setting voor Tosca was dus nadrukkelijk Rome, en ook de première vond in Rome plaats. Nu is Enschedé Rome niet, en daar kunnen de Tukkers ook niets aan doen, maar bij de Reisopera zit men de hele avond opgescheept met een hoofdcommissaris Scarpia (brigadier Spoletta  met hoorspelstem: “Komt voor mekaar, commissaris!”) in een hoofdbureau van politie. U weet wel, zo’n doorsnee politiebureau waar men vaak een kunstschilder aan het werk ziet, waar zo af en toe een mis wordt opgedragen en waar sopranen bloemen leggen bij een brandblusser in plaats van bij een Mariabeeld.


Sciarpa werd Scarpia

Voor baron Scarpia, hoofd van de geheime politie, putte Sardou inspiratie uit de historische figuur Gherardo Gurci, een fanatieke contrarevolutionair, bijgenaamd Sciarpa (De Sjaal), aan wie Ferdinand IV de adellijke titel “baron” verleende wegens zijn verdiensten in de strijd tegen de opstandelingen. Niet echt een Baantjer of gelijksoortige dienstklopper dus. Fehr is de zoveelste regisseur die niet begrepen heeft dat een opera, een episodische kunstvorm, zich niet aan onze tijd moet aanpassen, maar dat wij ons aan (de tijd van) de opera dienen aan te passen. De setting van Fehr, dat politiebureau dus, uitgerust met nieuwerwetse, zelf in elkaar geknutselde toverlantaarns (een mislukt en al heel snel de keel uithangend video-experiment, waarbij filmbeelden gelijk zouden moeten lopen met het toneelbeeld, hetgeen faliekant mislukte en waar wij ons Latijn verder niet hebben ingestoken; een stomme film van Ben Turpin is hierbij vergeleken een wonder van cinematografische vooruitgang), leidde noodzakelijkerwijs weer tot de nodige volstrekt lachwekkende discrepanties, zoals een attribuut uit 1800, de waaier, die in een plastic zak wordt gestopt om gecheckt te worden in de database voor vingerafdrukken.

En ooit Baantjer horen verklaren “Goddelijke Tosca, mijn hand wacht de uwe, uw lieve kleine handje, niet uit galanterie, maar om u het Heilig Water te bieden”?   Ooit iemand die het politiebureau betreedt, horen verklaren “In mijn angst zag ik overal politie”? Scarpia met C-O-C-K – helaas weer een regiesof bij de Reisopera. De lijst van idiotismen en flagrante schendingen van de basisprincipes der logica zijn in Fehrs regie lang genoeg om te bewerken tot een nieuwe Fra Diavola-parodie. De Reisopera lijkt graag mee te willen doen met de grote jongens van het regietheater. Met de regie van Der fliegende Holländer bevond men zich al op een hellend vlak, met deze Tosca wordt weer een niet-onaanzienlijke etappe op deze heilloze weg afgelegd, terwijl juist de Reisopera zich bij uitstek zou kunnen nestelen in de librettogetrouwe niche die hier te lande (en niet alleen hier) al (te) lang geleden  ontstaan is. Een gemiste kans, en een gebrek aan visie dat zich niet laat wegpoetsen door goedkope en nietszeggende marketingkreten.


Slap prevelementje

De muzikale sensatie van de door Puccini bedoelde opening van deze opera, de briljante, overrompelende noten Bes-As-E, werd ons als zodanig onthouden. Wij kregen nu als introductie een slap prevelementje, dat het cement moest leveren voor de wankele, bouwvallige regie.  En ook het eind van de opera is gekunsteld en kitscherig. In het libretto staat toch echt dat Tosca zich met een 1-2-3 in godsnaam (“O Scarpia, avanti a Dio!”) van de torenhoge Engelenburcht in Rome stort, maar in de versie van Fehr is het natuurlijk lastig van de begane grond van het politiebureau af te springen. Toch werd er nog een 2 meter hoog muurtje gevonden, dat Tosca in het dramaturgisch gunstigste geval met een gezwollen enkel zou opzadelen in plaats van dat zij onderdeel zou worden van het Romeinse asfalt. Kortom, een hopeloze, gekunstelde, respectloze regie, een dwangmatige lippendienst aan de schabouwelijke sekte der zelfbenoemde Mensen van Nu, en een hautaine klap in het gezicht van de opera- en Puccini-liefhebber.

Gelukkig (copy & paste!) was er muzikaal wél het nodige te genieten. De Noorse sopraan Kari Postma (Tosca), die vooral in Scandinavië werkzaam is, lijkt van nature over een krachtig geluid met kruppstahl-timbre te beschikken, waardoor zij moeiteloos boven het orkest uitkomt, maar blijkt in de meer lyrische passages toch ook wonderschoon uit de hoek te kunnen komen. Haar “Vissi d’arte” werd dit keer, helaas niet vlekkeloos, niet liggend maar zittend gezongen, achter in het politiebureau.  Postma heeft een sterke podiumprésence, maar van woeste aantrekkingskracht tussen Tosca en Cavaradossi was niet veel te merken, ook de personenregie was niet altijd even best. Hun amoureus bedoelde gestuntel had meer weg van een eerste afspraakje in wegrestaurant De Lucht; hij Hoofd Magazijn Eerste Fietsfabriek “Het Wiel”, zij eigenaresse van ambachtelijk wolwinkeltje “Wolhalla” te Surhuisterveen.


Johnny & Anita outfit

Noah Stewart, ook een gerenommeerde Don José, bleek een goede greep in de rol van Cavaradossi. Ondanks de Johnny & Anita outfit die men voor hem bedacht had, is hij zeker fysiek een ideale Cavaradossi. Helaas is zijn stem wat eendimensionaal, alles werd op één volume gezongen, waardoor enige tederheid in bijvoorbeeld “O dolci mani” ontbrak. De hoge noten kwamen er bij Stewart in het algemeen nogal geprangd uit; zijn “Victoria” ging de mist in. Maar zijn “E lucevan le stelle” was prima de luxe, ondanks het moeilijk te volgen acteren erbij. De eindsnik op “la vita” was er ook niet, maar dat is ook iets affreus voor Mensen van Nu. Ook Phillip Rhodes als Baron Scarpia deed het, gezien de omstandigheden, voortreffelijk, every inch pure kwaadaardigheid. Rhodes beschikt over een prachtige, donkere stem waarmee hij een perfect beeld schilderde van de kwaadaardige gladjakker met een karakter als een rotte mispel. Zijn “Va, Tosca” was van een lugubere onheilspellendheid. De Vledder van dienst, Spoletta, werd vertolkt door Michael J. Scott, en hij deed dat bekwaam. Zowel voor Rhodes als voor Scott geldt dat zij misschien wat aan de jonge kant zijn voor deze rollen. Gezien hun uitstekende vocale prestaties ervoeren wij dit echter niet als onoverkomelijk bezwaar. Ten slotte moet nog melding gemaakt worden van een raadselachtige damesfiguur, type nazi-kampbewaakster, die blijkbaar Hoofd Martelingen en Executies van Rome was. Zingen deed Die Helga niet, overbodig zijn wel. En in een van de meest poëtische en verstilde scenes uit Tosca werd de Herder getransformeerd tot werkster, die nadat ze geconstateerd had dat Scarpia dood was, eerst nog even een prullenmandje ging legen.


Orkest van het Oosten

Het Orkest van het Oosten, de ster van de avond, ontplooide onder dirigent David Parry een prachtige, bijna té perfecte klank die alle aspecten van Puccini’s partituur het volle, en indien nodig het minder volle pond gaf. Solistische passages waren om te smullen en van de perfecte begeleiding van de solisten kan menig orkest met een Grote Naam nog wat leren. Nee, aan de zangers en het orkest lag het niet…..

De Tosca van de Reisopera is goed gecast (casting Joseph Fuchs) en helaas geregisseerd op een hobbyistische, op de lachspieren werkende wijze die zich nog het best laat omschrijven in de warrige woorden van de regisseur zelf: “Het voelt als de hedendaagse maatschappij, maar misschien speelt het zich ook wel in de toekomst af.”

Ja, misschien wel, het is hoe dan ook arrivederci, Roma!

Olivier Keegel (gepubliceerd op 17 oktober 2018)

Olivier Keegel
Olivier Keegel

Chief editor and reviewer

Bellini, Donizetti. Tito Schipa, Fritz Wunderlich, Ileana Cotrubas. Stefano Mazzonis di Pralafera, Laurence Dale. Certified unmasker of directors’ humbug.

Reageer op dit artikel

avatar
  Subscribe  
Abonneren op